Taal groeit waar aandacht is!
Kinderen leven in een wereld die tegelijk gewoon én magisch is.
Een vlinder is niet zomaar een insect.
Het is beweging, kleur, verwondering.
Iets wat ineens verschijnt en weer verdwijnt.
En taal?
Taal is voor kinderen óók een wonderlijke wereld.
Woorden, klanken, zinnen, verhalen, grapjes, liedjes, vragen, herhaling…
Voor ons als volwassenen is taal vaak vanzelfsprekend geworden. Maar voor kinderen is taal nog volop in ontwikkeling. Ze ontdekken elke dag nieuwe woorden, leren hoe je iets vraagt, hoe je iets vertelt, hoe je je gevoel onder woorden brengt en hoe je contact maakt met anderen.
Kijken met een zaklamp of met een lantaarn
In de psychologie wordt weleens het beeld gebruikt van de zaklamp en de lantaarn.
Volwassenen kijken vaak met een soort zaklampblik.
We richten onze aandacht ergens op.
We denken in doelen, planning, tijd en taken.
Kom, schoenen aan.
Doorlopen, niet treuzelen.
We moeten op tijd zijn.
Kinderen kijken vaak veel meer met een lantaarnbeleving. Hun aandacht schijnt niet naar één punt maar lijkt zich breder te verspreiden. Ze nemen van alles tegelijk waar: een vogel in de boom, het geluid van een vrachtwagen, een takje op de stoep, een geur, een kleur, een woord dat grappig klinkt.
Volwassenen focussen vaak slechts op belangrijke punten, terwijl kinderen alles in hun omgeving opmerken."
Dat is soms vermoeiend voor ouders.
Want terwijl jij denkt:
“We moeten naar school,”
denkt je kind misschien:
“Waarom ligt daar een veertje?”
“Waarom zegt die meneer hallo?”
“Waarom heet een vlinder eigenlijk vlinder?”
Kinderen vertragen ons
Kinderen kunnen ons uitnodigen om opnieuw te kijken.
Niet alleen naar grote dingen, maar juist naar de kleine dingen
de geur van nat gras,
de kleur van een bloem,
het geluid van vogels,
de schaduw op de muur,
de wind in de bomen,
een lieveheersbeestje op een hand.
Voor kinderen is de wereld nog niet “gewoon”.
Alles is informatie.
Alles is taal.
Alles kan een verhaal worden.
Taalontwikkeling ontstaat niet alleen aan tafel met een boekje of tijdens een oefenmoment. Taal groeit juist ook in het gewone dagelijks leven: tijdens wandelen, spelen, aankleden, koken, fietsen, opruimen en samen kijken naar wat er gebeurt.
Taal groeit waar aandacht is
Een kind leert taal vooral in contact.
Wanneer een kind wijst naar een vogel en jij zegt:
“Ja, dat is een vogel.
Hij zit hoog in de boom.
Hoor je hem fluiten?”
dan geef je taal aan wat je kind ziet, hoort en beleeft.
Wanneer je kind zegt:
“Auto!”
en jij antwoordt:
“Ja, een grote rode auto rijdt voorbij,”
dan breid je de taal van je kind uit zonder dat het voelt als oefenen.
Voor een kind voelt dat niet als les.
Het voelt als samen zijn.
De wereld van je kind binnenstappen
Als ouder hoef je niet de hele dag bewust taalactiviteiten te doen.
Het begint vaak veel eenvoudiger:
Kijk eens mee met wat je kind ziet.
Wacht even voordat je invult of corrigeert.
Benoem wat er gebeurt.
Stel niet alleen testvragen, maar maak echte gesprekjes.
Laat je kind vertellen, fantaseren, aanwijzen, zoeken en ontdekken.
Dus niet alleen:
“Welke kleur is dit?”
Maar ook:
“Wauw, die bloem lijkt wel een zonnetje.”
“Waar zou die mier naartoe lopen?”
“Wat denk jij dat de vogel zegt?”
“Zullen we samen luisteren naar de wind?”
Zo ontstaat taal vanuit verwondering.
Speels kijken: 7 kleine tips voor thuis
1. Maak een verwonderwandeling
Loop eens tien minuten zonder doel. Laat je kind iets aanwijzen. Jij volgt. Benoem wat je ziet: “een glimmende steen”, “een zachte bloem”, “een diepe plas”, “een hoge boom”.
2. Verzamel woorden uit de natuur
Denk aan woorden als ritselen, dwarrelen, fladderen, stromen, kriebelen, waaien. Juist zulke woorden maken taal rijker.
3. Praat in plaats van overhoren
Vraag minder vaak: “Wat is dit?”
Zeg vaker: “Ik zie…” “Ik hoor…” “Ik vraag me af…”
Daarmee nodig je je kind uit om mee te denken.
4. Geef taal aan zintuigen
Hoe ruikt de regen? Hoe voelt zand? Hoe klinkt water? Hoe beweegt een vlinder? Zintuiglijke ervaringen geven kinderen veel kapstokken voor nieuwe woorden.
5. Laat fantasie bestaan
Als je kind zegt dat de maan meegaat naar huis, hoef je dat niet meteen te corrigeren. Je kunt ook zeggen: “Het lijkt inderdaad alsof hij met ons meeloopt.” Fantasie en taalontwikkeling gaan prachtig samen.
6. Lees boeken langzaam
Je hoeft een boek niet altijd van begin tot eind voor te lezen. Samen kijken, praten over de plaatjes, voorspellen wat er gebeurt en woorden herhalen is minstens zo waardevol.
7. Volg het tempo van je kind af en toe
Natuurlijk moet je soms door. Maar kies af en toe bewust een moment waarop je niet haast. Juist dan ontstaan vaak de mooiste gesprekjes.
Spelen is geen pauze van leren
Voor volwassenen lijkt spelen soms iets wat kinderen doen ná het leren.
Maar voor kinderen ís spelen leren.
Tijdens spel oefenen kinderen taal, beurtwisseling, fantasie, sociale regels, motoriek, probleemoplossing en emoties.
Een kind dat een takje verandert in een toverstaf, een doos in een huis of een pop in een baby, is niet “zomaar aan het spelen”. Het kind oefent met betekenis geven.
En betekenis geven is de basis van taal.
Plezier met praten
Voor mij is plezier met praten één van de mooiste redenen om als logopedist met kinderen te werken.
Want taal is zoveel meer dan “goed praten” of “de juiste woorden gebruiken”. Taal is contact maken. Iets vertellen. Een grapje maken. Een vraag durven stellen. Trots roepen: “Kijk eens!” Of ineens een nieuw woord gebruiken dat gisteren nog moeilijk was.
Soms zie je tijdens de logopedie een kind groeien van voorzichtig proberen naar vrijer durven praten. Van losse klanken naar woorden. Van wijzen naar vertellen. Van frustratie naar: “Ik kan dit!”
Wanneer praten weer leuker wordt, ontstaat er ruimte om te spelen, te ontdekken, te fantaseren en verbinding te maken met anderen.
Daarom werk ik graag op een speelse manier, dichtbij de belevingswereld van het kind. Met spelletjes, verhalen, beweging, herhaling, humor en veel verwondering!
Reactie plaatsen
Reacties